De prijs en waarde van transitie:
 uitdagingen bij de financiering van regeneratieve landbouw



Bodemherstel, biodiversiteit en toekomstbestendige voedselproductie: het zijn termen die vaak voorbijkomen in gesprekken over de transitie naar regeneratieve landbouw. Maar daarachter schuilt een fundamentele vraag: hoe financieren we de overstap naar een ander landbouwsysteem? En hoe ziet het financiële plaatje er na die overstap precies uit? Daarover gaan de gesprekken die binnen ReGeNL gevoerd worden door banken en andere financiële partijen. 



‘Het gaat niet alleen om de vraag of een individueel bedrijf financierbaar is,’ benadrukt Liesbeth Soer, voor dit traject als financieringsspecialist  betrokken bij ReGeNL. Ze heeft ruim 30 jaar ervaring in het bankwezen, investment management, en de inrichting en implementatie van wet- en regelgeving en vernieuwing van dit domein. ‘Het gaat ook om de vraag hoe financiering is ingericht – en wat daarin als ‘gezond’ ondernemerschap wordt gezien.’

Weerbaarder

Regeneratieve maatregelen kunnen op de lange termijn financiële risico’s verminderen en de weerbaarheid van landbouwsystemen vergroten. ‘Zo kunnen gezonde bodems zowel droogte als een exces aan water beter opvangen en mitigeert een meer divers teeltplan de risico’s die gepaard gaan met slechts een paar gewassen.’ illustreert Soer. Maar de investeringen die daarvoor nodig zijn, passen niet altijd binnen de financiële kaders van vandaag.

Korte versus lange termijn

Allereerst is er spanning tussen de druk op kasstromen op de korte termijn en risicoreductie op lange termijn. ‘Regeneratieve maatregelen, zoals bodemherstel, extensivering en biodiversiteitsversterking, zetten de opbrengsten van een boer aanvankelijk soms onder druk,’ legt Soer uit. ‘Maar uiteindelijk verlagen zij structureel het risico op klimaatschade en maken ze individuele bedrijven, en ook het systeem als geheel weerbaarder.’

Risicovol

Banken erkennen in de gesprekken de langetermijnvoordelen van regeneratieve praktijken, maar de risicomodellen waar ze mee werken nog niet. ‘Wie als boer bijvoorbeeld wil overstappen op biologisch, laat doorgaans de eerste paar jaar verlies zien, en dat is een klein voorbeeld van waar het systeem nu vastloopt,’ aldus Soer. 

‘We vragen ondernemers om te investeren in de weerbaarheid van hun bedrijf. Maar precies die investeringen kunnen op korte termijn hun financierbaarheid onder druk zetten. Daar zit een fundamentele spanning.’

Als een bank een bedrijf financieel tijdelijk tegemoetkomt, bijvoorbeeld door tijdelijk uitstel van terugbetaling, moeten zij vaak de bijbehorende lening officieel als risicovoller aanmerken – de zogenoemde forbearance-classificatie. Dit heeft directe gevolgen: de bank krijgt te maken met extra rapportagekosten en kapitaalsvereisten en dat levert mogelijk beperkingen op in wat zij kan financieren. ‘Daardoor kan iets wat bedoeld is om een bedrijf toekomstbestendiger te maken, binnen het huidige systeem juist als een verhoogd risico worden gezien’. Voor banken is het daardoor uitdagend om de transitie naar regeneratieve landbouw actief te ondersteunen in hun portefeuille.

Vooruitkijkend risicomanagement

‘Een oplossing ligt in vooruitkijkend risicomanagement: door bedrijven vooruitkijkend te beoordelen over een periode van minstens tien tot twintig jaar, komen de werkelijke voordelen van regeneratieve landbouw, zoals grotere weerbaarheid bij klimaatextremen en stabielere marges, wél in beeld.’

Een ander punt is dat bestaande kredietmodellen (gebaseerd op de geldende wet- en regelgeving) primair sturen op Debt Service Coverage Ratio (DSCR) en kasstromen. De DSCR laat zien of een bedrijf genoeg geld verdient om zijn leningen terug te betalen: een score van 1 betekent dat de inkomsten precies toereikend zijn, alles daarboven geeft ruimte, alles daaronder betekent dat het geld niet rondkomt. Voor zowel banken als ondernemers is de ratio een goede graadmeter voor financiële gezondheid en de ruimte om tegenvallers op te vangen.

‘Het roept wel de vraag op in hoeverre investeringen die op korte termijn de kasstroom verlagen, maar op lange termijn het systeemrisico verminderen, beter meegewogen kunnen worden in de risicobeoordeling,’ aldus Soer.

Toezichtkaders en de ruimte voor transitie

In het verlengde hiervan komt een tweede systeemvraag naar voren: hoe verhouden bestaande toezicht- en kapitaalkaders zich tot financiering van de transitie? Wetgeving van de Europese Centrale Bank, forbearance-classificaties en kapitaaleisen zijn primair ontworpen voor balansstabiliteit binnen bestaande economische modellen. Met andere woorden: ze zijn erop gericht dat leningen uiteindelijk worden terugbetaald en banken een houdbaar bedrijfsmodel hebben. Dit om een financiële crisis als die in 2008 te voorkomen. 

Herprofilering van leningen, bijvoorbeeld bij toepassen van een forbearance-regeling kan hierdoor leiden tot extra kapitaalbeslag bij de ondernemer die gebruik maakt van zo’n regeling. ‘De ondernemer moet dan bijvoorbeeld voldoen aan strengere criteria of mag op termijn minder lenen bij de bank,’ aldus Soer. ‘Die kaders zijn logisch en belangrijk, maar ze zijn niet ontworpen voor situaties waarin bedrijven bewust investeren in veranderingen die zich pas op langere termijn uitbetalen, terwijl juist daar de transitie zit.’

Van individueel naar gedeeld risico

Een derde systeemvraag betreft de inzet van publieke middelen. ‘Denk bijvoorbeeld aan de brede weersverzekering, die schade compenseert bij extreme weersomstandigheden en deels wordt gesubsidieerd via GLB-middelen,’ illustreert Soer. ‘Zijn de middelen die nu worden ingezet voor schadecompensatie ook in te zetten voor preventieve investeringen in bodemweerbaarheid en klimaatadaptatie? Met andere woorden: hoe verschuiven we van verzekeren van schade naar structureel verlagen van risico?’

De rol van ketenpartijen is cruciaal voor financierbaarheid, benadrukt Soer. ‘Banken zien langjarige afzetcontracten met prijsgarantie als een krachtig risicodempend instrument. De vraag is hoe we dat soort zekerheden structureel kunnen organiseren in een markt die traditioneel sterk op dagprijzen is ingericht. En hoe dit voor alle betrokken partijen (consument, boer, keten, bank) een win kan zijn.’

Een andere belangrijke vraag is hoe landbouwtransitie te organiseren is op gebiedsniveau. Hoewel banken voorbeelden noemen van gebiedsgerichte aanpakken, vindt financiering in de praktijk vrijwel altijd plaats op individueel bedrijfsniveau. Hoe kunnen gebiedsgerichte structuren, zoals gebiedscoöperaties, ook als financierbare entiteiten functioneren? En is collectieve risicoreductie ook collectief te financieren?

Mismatch of ontwerpvraag?

‘Er is, kortom, op dit moment sprake van een mismatch tussen wat boeren in de transitie naar regeneratieve landbouw aan financiering nodig hebben en de steun die banken en andere financiële instellingen hen kunnen bieden,’ zegt Soer. ‘Financiële instellingen zijn zich hiervan bewust en willen de situatie graag veranderen. Maar ze kunnen het systeem niet van de ene op de andere dag omgooien.’

Binnen ReGeNL werken financiële instellingen, boeren, agrarisch bedrijfsadviseurs en andere ketenpartijen samen stap voor stap toe naar aanpassingen die verschil maken. Soer: ‘We leren van pilots, onderzoeken welke financiële instrumenten nodig zijn en hoe sociale waarden een vaste plek kunnen krijgen in financieringsmodellen. De vraag is dus niet alleen hoe we deze kloof dichten, maar ook in hoeverre het huidige systeem nog aansluit bij wat we proberen te realiseren.’